De Creatieve Mens: prutsen doet anders kijken

Heerenveen

"Ik ben een beeldbouwer.” Marcel Prins stelt dat hij niet kan tekenen, maar heeft er een kast vol van. Hij kan het wel, maar het interesseert hem niet. Hij prutst aan niets totdat het iets wordt wat een verhaal oproept, dat een ander wakker maakt en tot nadenken aanzet. Dat niets kan een gevonden voorwerp zijn, een ding dat onbruikbaar is door de tijd maar in zijn handen tot kunstvoorwerp wordt.

“Ik kan zo’n voorwerp als gevonden neerzetten, maar dan is en blijft het dat ding. Punt. Maar wil het door mij aangeraakt worden dan ga ik er wat mee doen. Dat kan meteen gebeuren nadat ik het heb gevonden, maar het kan ook drie of zelfs twaalf jaar rondslingeren in mijn atelier voordat het mijn ding wordt. Maar ik laat het niet met rust, ik doe er wat mee.” Zijn blokkendoos bestaat uit zaagafval. Daar bouwt hij als kind wegen, straten en steden mee. Die bouwwerken mogen midden in de huiskamer blijven staan, iedereen stapt er met ooievaarspoten overheen. Het materiaal wordt geboden, de fantasie geactiveerd. “Het kunstzinnige zit er bij ons wel in. Ma speelde piano en pa was een selfmade interieurontwerper, maar handelde ook in op zijn aanwijzingen gemaakte schilderijen. Een oom was dichter en met een andere oom ging ik naar de kunstacademie, want op mijn twaalfde wist ik dat ik Van Gogh achterna wilde. Een dwaas idee natuurlijk. Hoewel de creativiteit van huis uit werd gestimuleerd, vond mijn vader het een beter idee dat ik de lerarenopleiding ging volgen. Maar ik wilde kunstenaar worden.” Marcel doet een opleiding in omgevingsvormgeving en ruimtelijk ontwerpen op de academie. “Maar ik ben geen ontwerper, in de zin van dat ik iets maak en dat 120 keer en in 36 duizend variaties doe. Mijn inspiratie is het zoeken zelf en het ontdekken. Het materiaal als ding om mijn kunstwerk te maken is niet het belangrijkst, het materiaal is de vondst die ik uitbouw tot verhalende abstracte objecten. Met altijd een titel, die komt onderweg gewoon vanzelf op.” Het is niet zijn ding om met een groep stillevens te tekenen. Staat Marcel voor een klas kinderen dan biedt hij materiaal en mogelijkheden aan, gedachten en woorden. Een pak melk noemt hij een zuivelcontainer. “Dan wordt het ding al iets anders. Kan het kind dat pak inhoud geven, er iets anders mee doen: er een boodschap in brengen, een verhaal mee vertellen. Dat wekt de fantasie op, meer dan dat het een stilleven moet tekenen. Mijn zelf gestelde opdracht is niet om kinderen beter te laten tekenen of tot kunstenaar op te leiden. Ik stuur aan op mogelijkheden die verrassingen geven, de andere kant laten zien. Draai het linksom, draai het rechtsom, kijk het melkpak is een tulpenvaas.” De vondsten en verhalen van kinderen stimuleren Marcel in zijn eigen werk. Hij vergelijkt dat met paardrijden, een hobby. Hem is gevraagd daarin les te geven. “Om te formuleren hoe de ruiter het lichaam gebruikt, moest ik dat eerst zelf ervaren. Ik ging drie letters hoger paardrijden, omdat het overdragen van de handelingen mij stimuleerde en op een hoger plan bracht. Zo is het met de kunst ook. Doordat je vertelt waar het over gaat, ga je zelf beter werken. Je gaat bewuster werken.” Jurjen K. van der Hoek

Auteur

Redactie