De Uitdaging: ,Ik ben alleen en wil alleen blijven'

HEERENVEEN

 In de rubriek De Uitdaging portretten van mensen met een bijzonder verhaal en de uitdaging in hun leven. Deze keer Frans Rijpstra, oud directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau en een sociaal bewogen mens.

Hij is geboren en getogen in Franeker, richtte er de gezinszorg mee op. Bij zijn vertrek naar Hengelo zegt een wijkzuster: Frans weet wat het is als je niet kunt wat je wilt. Dat gegeven doorkruist zijn hele leven, maar Rijpstra trekt zich weinig aan van zijn beperkingen. In de maand oktober van het laatste oorlogsjaar namelijk wordt Frans in een gipsbed gelegd – hij heeft tuberculose coxitis in de rechterheup. Pas in augustus 1945 komt hij er weer uit en is het euvel genezen. Maar zijn kniegewricht is stijf en Frans kan het niet meer buigen. Het weerhoudt hem niet zijn leven in te delen zoals hij het doet: “Ik heb jarenlang gedaan alsof ik geen beperking had”. Via Hengelo en Zierikzee komt Frans dan in Heerenveen terecht. Ereburger Frans Rijpstra is hier penningmeester bij buurthuis De Stoof en bouwt dit met anderen uit tot een welzijnsstichting voor heel de plaats. Hij zet zich in voor buitenlanders en vluchtelingen, richt Kleurrijk Heerenveen op. Nog onderhoudt hij vriendschappelijke contacten met Turken en Marokkanen. Met zijn verjaardag stuurt niet alleen de burgemeester een kaartje, maar krijgt hij ook een bloemetje of snoepjes van mensen die hij ooit heeft geholpen. Uit waardering voor onder meer zijn vele werk op sociaal gebied, in  het vrijwilligerswerk en de welzijnszorg, wordt Rijpstra in 2005 ereburger van Heerenveen. Grootste uitdaging Mensen inspireren Frans Rijpstra, hij wil met ze samenwerken. Zijn sociale kijk op de samenleving is geen opdracht, hij ziet het ook niet zo. Het zit in hem, met en bij andere mensen komt het eruit: “Je doet iets en je ontmoet mensen, en dan ineens is het er. De mens is een sociaal wezen. Door de ander wordt je wie je bent, je ontwikkelt jezelf samen met de anderen. Zo heb ik mijn werk altijd opgevat en heb geprobeerd uit te dragen dat je er niet alleen bent om te bemiddelen en mensen bij elkaar te brengen. Het is belangrijk om iets voor een ander over te hebben en misschien heb ik weleens wat teveel gedaan, maar ik ben er oud mee geworden. Mijn grootste uitdaging op dit moment is dat ik alleen ben en alleen wil blijven. Veel ouderen willen dat, met mijn belemmeringen krijgt het nog een extra accent. Mijn ergste beperking nu is dat mijn ogen sterk achteruit gaan door slijtage. Ik kan geen krant meer lezen. Met een hulpmiddel die de letters tot twaalf maal toe kan vergroten lees ik ’s avonds op bed nog een boek. Met witte letters op een zwarte achtergrond kan ik email-berichten opmaken en versturen met de computer. Dat gaat nu nog, maar ik merk dat het minder wordt. Ik schreef verhaaltjes en maakte gedichten, maar dat kan ik allemaal niet meer.” Niet te serieus Frans heeft nog veel stof om over te schrijven, maar zijn ogen weerhouden hem het te noteren. Zijn computer staat vol proza en poëzie. Ooit heeft hij het plan opgevat een gedichtenbundel uit te geven - het komt er maar niet van. “Ik neem mijzelf op de korrel en de mensen in het algemeen op de hak. Nu ik 92 ben neem ik afstand en zie alles niet meer zo zwaar. Iedereen is overal maar druk mee bezig, ik relativeer dat en houd ze een spiegel voor in mijn  verhaaltjes. Ik neem mezelf ook niet meer al te serieus. Want waar zal ik me druk over maken. Iedereen wordt straks honderd. Mijn generatie heeft pech gehad. Maar ik ben klaarblijkelijk een taaie. In een gezin van negen kinderen ben ik de oudste. Er zijn alleen nog twee zussen van 83 en 85 in leven.” Ontmoetingen onderweg Rijpstra is noodgedwongen een van de eerste berijders van een scootmobiel in Heerenveen. Hij komt er overal mee, al 30 jaar. ’s Middags als het weer dat toelaat maakt hij graag een ronde van het Nannewijd via Oranjewoud naar Langezwaag en Terwispel. Is er wat in het centrum te beleven dan is Frans erbij. Contacten moet hij nu meer dan vroeger leggen tijdens ontmoetingen onderweg, want hoewel mobiel is hij eraan gebonden en komt niet verder meer dan de voordeur. “Het wordt langzaam leeg om me heen, want mijn oude maten zijn weg gevallen. Ik denk dat er ergens ook wel een locomotiefje voor mij onder stoom staat, langzaam naar mij toerolt zodat ik in kan stappen. De bagage die ik heb kan ik niet meenemen. En waar ik terecht kom? Ik denk, nergens. Ik kom uit het niets en ik ga naar het niets. Maar mijn leven is niet voor niets geweest. Ik kan zeggen dat ik wat gedaan heb. En daarnaast heb ik mijn drie jongens en de kleinkinderen. Mijn vrouw is drie jaar geleden overleden, tot dat moment bemantelden wij elkaar. We hadden alleen thuiszorg om het huis schoon te houden. Nu ben ik alleen. Maar met een uitstekende verzorging van de buurtzorg. Ze kleden me aan, helpen met douchen en komen me weer uit kleden. De rest van de dag mag ik weten en kan ik weten wat ik zelf doe. Dat houdt me zelfstandig. Ik ben een vrije vogel.” Tekst: Jurjen K. van der Hoek  

Auteur

Harry de Jong