De Verdieping met Wytze Brandsma: ‘Ik ben een taalstoeier‘

GERSLOOT

In De Verdieping gaat Jurjen K. van der Hoek met zijn gesprekspartner de diepte in. Zo beschrijft hij de achtergrond van wat hem of haar bezig houdt in zijn leven en werk, passie en hobby. Ditmaal: dichter Wytze Brandsma uit Gersloot.

„Ik vind het gedicht een raamwerk waarbinnen je met alle vrijheid bezig mag zijn. Aan gestelde dichterlijke eisen voldoe ik niet, ik ben een abstract dichter.”

Wytze Brandsma is agoog-theoloog met werkervaring op diverse maatschappelijke vlakken. Daarnaast schrijft hij gedichten. Maar alle verzen bleven tot voor kort op de plank liggen. Totdat hij, op een festival waar Wytze zijn poëzie presenteerde, door de theologische uitgeverij Narratio werd uitgenodigd een eigen bundel te maken. Dat was het begin van wat nu in 2018 een trilogie is geworden.

„Ik wil mensen prikkelen tot nadenken. Stimuleren de dingen een eigen inkleuring te geven. Want liefde is het antwoord. In alle levensbeschouwingen draait het om de ander. Maar daar is een schaduwkant aan, dat is het gebroken hart van het mens zijn. Daar probeer ik uit te komen, ik noem dat kanteldenken. In mijn gedichten zit een milde humor en een klein verzet. Want ik heb niet zo’n behoefte aan inkadering door religieuze leerregels. Daarom bevraag ik graag mijn eigen heilige huisje. Teveel is mij thuis, op school en in de kerk voorgekauwd. Mensen die het allemaal zo goed weten en de waarheid in pacht menen te hebben. Daar protesteer ik tegen, want mijn basis is het zinzoeken niet de religie. Ik heb geleerd buiten kaders te denken door filosofie en antropologie.”

Rode draad

De rode draad in de trilogie is het zoeken naar vrede en gerechtigheid. Het zingeven. Mensen laten nadenken over het hier en nu. Brandsma heeft het dan ook over het hiernumaals. Hoe kunnen we hier en nu zorgen voor een rechtvaardige en barmhartige maatschappij.

„Dat wordt dan idealisme genoemd om het weg te zetten. Maar ik noem het realisme. De wereld is weerbarstiger dan dat we soms willen zien en aannemen. Ik hoop dan ook dat mijn lezers rust, troost en zinbeleving aan mijn schrijven ontlenen. In mijn tweede bundel neem ik een positie in. Het goede en het slechte kun je toeschrijven aan God en de duivel, maar ieder mens heeft een zonzijde en een schaduwzijde en daar moet ik ook de balans in zien te vinden. Ik hoop dat de mensen door mijn schrijven gaan nadenken over de zin van hun bestaan.”

‘De ander meenemen’

Wytze voelt zich een profeet, een gids, maar vermijdt de zendingsdrang. Door zijn bevlogenheid en passie wil hij de ander meenemen, maar waakt ervoor een getuigenis te geven als zijnde de waarheid waar anderen achteraan moeten hollen.

„Vroeger was ik zo’n rondreizende prediker. Op mijn verhalen kreeg ik weinig respons. Nu ga ik met gedichten het land in en is er meer contact. Dat is een verrijking. Mensen worden geraakt, wat uitnodigt tot samenspraak. Dat is bemoedigend en stimuleert om door te gaan. Maar het kan mensen ook in verwarring brengen of onzeker maken. Dat snap ik, want ik ben ook niet zeker van mijn geloof en alleen de twijfel is overgebleven.”

(Tekst Jurjen K. van der Hoek)