Voetbalcolumn: Laat maar komen

Heerenveen - Ter opwarming keek ik zondag rond het middaguur naar de finale van de wereldbeker voor clubteams. Die wordt jaarlijks in Tokio gespeeld en op een enkele uitzondering na gaat die steeds tussen de kampioenen van Europa en Zuid-Amerika. Champions Leaguewinnaar FC Barcelona veegde de vloer aan met FC Santos, de Braziliaanse club die eerder dit jaar de Copa Libertadores won, het Zuid-Amerikaanse equivalent van de Champions League. Bij rust stond het al 3-0, daarna geloofde Barcelona het wel. Messi zorgde diep in de tweede helft nog voor 4-0. Ook deze cup kon mee naar Catalonië.

In opperbeste stemming fietste ik om vier uur naar het stadion. Op de tribune heerste na de 5-1 tegen AZ en het kwintet van Dost vorige week bij Excelsior een soort euforische overmoed: PSV zou kansloos zijn. Laat maar komen, we lusten ze rauw! Toch wezen de statistieken in een minder optimistische richting: in de laatste twaalf jaar werd er tegen PSV in het Abe Lenstra Stadion vijf maal verloren, er werd slechts drie keer gewonnen en vier wedstrijden eindigden in een remise. Doelcijfers: 17-25, een gemiddelde van ruim drie goals per match. We konden in elk geval op doelpunten rekenen! En Heerenveen líét PSV komen! Ook nu stond het bij rust al 3-0. De aanvallers en vooral de middenvelders van PSV kregen ruim baan. Wilt u vrij opkomen en dan binnen schieten, meneer Toivonen? Ga vooral uw gang, ik ga wel aan de kant. U wilt graag ongehinderd inkoppen, meneer Wijnaldum? Maar natuurlijk, van mij hebt u geen last! Af en toe mochten de heren uit Eindhoven elkaar zelfs ongehinderd een minuut lang de bal toeschuiven. Het leek wel wat op het tiki-takavoetbal van Barcelona van eerder op die dag. Nou ja, heel in de verte dan. Heerenveen kwam niet eens aan ‘gewoon’ voetbal toe. Rob Kerkhoven www.robkerkhoven.nl