Veenbranden: Bootvluchtelingen

Heerenveen - In onze schoolklas zat een hongaarse jongen. Gevlucht. Zijn verhaal, wat ik er toen van hoorde, fascineerde me. In de achterste wagon van de trein gevlucht. Het joodse gezin had de oorlog ternauwernood overleefd en liep meteen daarna weer gevaar.

Via Oostenrijk naar Nederland gekomen. Een volkomen geïntegreerd gezin geworden. Dat lukte de naoorlogse indische repatrianten doorgaans ook. Met de boot gekomen, berooid. Een jarenlange stroom, een stroom die op gang kwam na het eind van de oorlog op 15 augustus 1945. De eerste jaren waren het meest nog re-patrianten, mensen die terugkeerden naar Europa. Daarna volgden de repatrianten, indische Nederlanders, mensen van gemengd indische en europese afkomst die nooit eerder in Europa waren geweest. Mensen die door de politieke situatie gedwongen ware Indonesië te verlaten. Vaak hals over kop. De situatie van de Ambonezen, Zuid Molukkers, is een ander verhaal. Maar ontredderd waren ze bijna allemaal. Bootvluchtelingen. Met schepen als de “Oranje”, “Nieuw Amsterdam”, “Boissevain”.  Ik kwam eind juni 1950 met de “Empire Brand” in Rotterdam terug. Een enerverende reis. Onderweg zijn verschillende kinderen overleden. Wanneer zij in hun kistje overboord werden gezet lag het schip even stil, De eerste reis van Singapore naar Nederland met de “Nieuw Amsterdam” werd berucht vanwege de mazelenepidemie onder de 1200 kinderen. Die maakte veel slachtoffertjes. Er waren 3800 passagiers op het nog voor troepentransport ingerichte schip. De nasleep van een gruwelijke oorlog. Wel iets om bij stil te staan op 15 augustus en de herdenkingen die dag te volgen. Padapikirsaya